Or what you will

What you will

Geloof maar wat je wil. De middag ervoor had ik een dikke trui, wat schoon ondergoed, een tent en wat kleine spullen in mijn roestige autootje geladen en was op de bonnefooi het Rotterdamse havengebied ingereden, op zoek naar de veerboot.

Ik boekte er een hut, diep in de buik van de Pride of York, waar ik mijn schoenen uittrok, me liet vallen op de uitgezakte brits en in een diepe slaap viel. In bepaalde romans zou die slaap ongetwijfeld ‘droomloos’ heten, maar jij weet wel beter: ook de slaap heeft zijn geheimen en er zijn dromen die we ons beter niet herinneren. Om kwart voor zeven werd ik gewekt door een norse stem in een onverstaanbaar noordelijk accent, die me informeerde dat de haven van Hull in zicht kwam.

Een uur of twee later zat ik weer in mijn autootje, met het vaste voornemen te rijden in een richting die me zo ver mogelijk weg zou voeren. En daar zat ik dan, aan een winderig smalstrand langs de Ierse zee. Ik had waarschijnlijk nog wel verder westwaarts kunnen komen. Een boot naar Ierland zou nog kunnen, maar wat maakte het uit. Het was voorbij. Niet meer hopen op iets waarvan je vermoedt dat het er is, maar wat weggehouden wordt. Of: niet meer dromen van iets waarvan je, als je eerlijk luistert naar jezelf, weet dat het er niet is en ook niet zal komen. Maar zeker niet meer: merken dat je bedrogen wordt, ook al wordt dat nog zo goedbedoeld van je weg gehouden. Het was weer ikke, en de rest kon even stikken.

Ondanks het voorseizoen was het druk aan het strand. Kinderen werden vermaakt met strandraces. Veredelde zeepkisten met brede profielbanden en helle kleuren gleden over het strand, en steeds wanneer de finish naderde steeg er een gejoel op van de rest van de kinderen. Achter de duinen stonden de stacaravans strak in het gelid, als een strook goedkope lamellen. Ik wendde mijn blik van de kinderen af en keek naar de golven. Ik voelde mijn benen, stram van het lange zitten in de auto. De zon stond hoog en kneep mijn ogen dicht.

Vanuit het helmgras hipte een raaf het strand op. Het beest hield stil op een afstandje van enkele meters, kraste een keer en bekeek me met een guitig schuin kopje. Ik klapte even met mijn handen, en het beest trok zich terug.

Iets verder richting het water stond een jongetje, niet ouder dan zes of zeven, met een bleek gelaat, een blauwgeel gestreept t-shirtje en een te grote trainingsbroek. Hij had geen oog voor de race, maar staarde dromerig over het water en volgde kalm de glijdende bewegingen van de kleine jagers die over de golven scheerden. Een ander kind, vermoedelijk zijn broertje, riep hem, gebaarde hem te komen kijken. Het jongetje keek zwijgend terug en rende een eindje verder, ging rustig op een duintje zitten tussen het helm en hervatte de voorstelling.

Plotseling voelde ik een trekkende beweging aan de jas waarop hij zat. Ik zag nog net hoe de raaf mijn sleutels uit mijn jaszak trok en er vandoor vloog, klapwiekend over de duinen in de richting van de ruïne. “Shit!” Ik spurtte het pad op, de vogel achterna: zonder sleutels had ik echt een probleem.

Aan de overkant van de asfaltweg steeg een schelpenpad de heuvel op richting de ruïne. Ik zag de vogel vliegen over de dichtstbijzijnde kasteelmuur richting de baai achter het kasteel en schoot het pad op. Het pad was steil en deed mijn stramme spieren pijn. Bovengekomen schoot ik over de brug naar de grote poort.

Eenmaal binnen zag ik in de zuidwestelijke muur een grote uitsparing, waaronder de kraai was geland. Het beest leek niet te vluchten. Het was groot, minstens zestig centimeter hoog. Had het daar in de buurt zijn nest? Ik stapte de rondgang op en schoof voorzichtig naderbij, langs de kantelen. Ik naderde tot op enkele meters en nog verroerde de raaf geen veer. Hij keek me alleen aan, alsof hij me verwachtte.

Trillend raapte ik mijn sleutels op, mijn blik gefixeerd op de grote zwarte vogel. Het beest kraste en draaide zijn kop richting de muur. Het kraste nogmaals, en wenkte me richting de zee. Ik richtte me op en keek naar mijn sleutelbos en door het gat in de muur naar de zon en de golven van de baai. Naast de uitsparing stond een informatiebord:

Legend tells us that this is the location of the door that looks towards Aber Henvelen and Cornwall, opened by Heilyn the Son of Gwynn after the entertaining of the noble head of Bran the Blessed. Once opened, grief and perturbation overtook the companion of men who escaped from over the sea, and they journeyed forth to bury the head of Bran the Blessed in the White Mound of London, where the raven still stands guard. So relates the legend of the Mabinogion; believe what you will.

De raaf sprong-vloog de drempel van Heilyn’s deur op en verdween in de richting van de zon. Geloof maar wat je wil; ik volg die vogel.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: