Ontdek je plekje

Het verhaal gaat dat Francesco Petrarca in april 1336, toen hij na een moeilijke klim eindelijk bovenop de Mont Ventoux was aangekomen, de Belijdenissen van Augustinus opensloeg. Zijn blik, als we hem tenminste moeten geloven, viel op de volgende passage: “En de mensen gaan hoge bergen bewonderen en de wijde zee en machtige stromen en de onmetelijkheid van de oceaan en de loop van de sterren, en zij verliezen daarmee zichzelf.”

Petrarca zelf voert dit moment op als cruciale wending in zijn leven: hij moet zich met Augustinus naar God en in zichzelf keren, los van de wereld. Nou ben ik gelukkig arrogant genoeg om te stellen dat zowel Augustinus als Petrarca het hier faliekant mis hebben. De natuur is namelijk bij uitstek een manier om jezelf te vinden en een bijzondere plek kan een prima katalysator zijn om een band met het spirituele aan te knopen. Typisch Augustinus om dat weg te moffelen: dorre proto-protestant. (Haha! zal je denken, welk een hoogmoed en hovaardij van die Buitendijks! Moge de bliksem hem ten gronde slaan! – Maar zeker over die Augustinus zal ik nog wel eens een blogje opendoen…).

Maar goed, in de geschiedenis wordt dit moment dan ook gezien als een weerslag van het ontluikende moderne besef van de mens in zijn wereld. Tot dan toe zou het Westen zijn omgeving als een vanzelfsprekend decor hebben aanvaard; vanaf de renaissance komt men los van de wereld en slaat men de weg in naar de Verlichting, de industriële en technologische revoluties en de communicatiemaatschappij. De mens staat vanaf die tijd centraal, de natuur raakt ondergeschikt. Om een lang verhaal kort te maken, zeg maar…

Vreemd genoeg heeft nog niet iedereen zich er bij neergelegd Petrarca’s verslag fictief is.1 Komt dat omdat we het sentiment zo goed doorvoelen en daardoor blind worden voor verzinsels? Petrarca’s verslag spreekt dan aan omdat er een verlangen uit spreekt naar diepte en rust: naar een spirituele binding met een bijzondere plek.

Dat verlangen zie je inderdaad overal om je heen. Waarom zoeken we anders de natuur op? Waarom anders de droom van velen een oud boerderijtje op te knappen? Waarom beklimmen we anders bergen? Waarom gaan mensen anders in retraite of op bedevaart? Waarom anders Taizé of Compostella? Waarom de belangstelling voor inheemse culturen, voor New Age, voor ‘slow life’, voor ‘regionalism’ en ‘tribalism’? Tenminste een deel van deze bezigheden heeft te maken met een ‘sense of displacement’. We zijn de vanzelfsprekende binding met de omgeving een beetje kwijtgeraakt en proberen een ‘sense of place’ te heroveren in dromen van een dieper liggende, waarachtige eigen identiteit, geworteld in een oorspronkelijke en vertrouwde omgeving.

Struin het blog af en spot ook hier de behoefte aan binding met de eigenheid van een plek, aan het ervaren van een betekenisvolle wereld: hier, hier en hier bijvoorbeeld. De eerste verzamelt beelden die voor haar betekenis hebben en creëert daarmee een virtueel thuis. De tweede bevestigt in meerdere blogs zijn binding met een regio en een dialect. De laatste vindt haar thuis onder andere in inheemse culturen. (Laat maar weten als jullie er anders over denken, maar zo interpreteer ik jullie blogs, sorry!)

Een ‘sense of place’ dus. In het cultureel supplement van het NRC van afgelopen vrijdag bezingt Roel Bentz van den Bergh het ‘sense of place’ van de Amerikanen (NRC 25/5, p.20). Volgens Bentz van den Bergh is dit: ‘een tot zesde zintuig ontwikkeld gevoel voor de specifieke eigenschappen en eigenaardigheden van een bepaalde omgeving, voor de persoonlijkheid van een plek en de wijze waarop die plek inwerkt op een persoon – als voedingsbodem, habitat, jachtterrein, valkuil’. Het woordje ‘valkuil’ intrigeert, maar dat terzijde: volgens de schrijver hebben Amerikanen meer gevoel voor de genius loci dan Europeanen, getuige de fototentoonstelling in het Gettymuseum in LA, die de aanleiding voor het artikel is, en songteksten van Dylan, Neil Young en Springsteen. En dat is duidelijk hardstikke gezond voor die Amerikanen.

Er zit daarom niets anders op om eenzelfde zintuig te ontwikkelen. Volgens Bentz van den Bergh doe je dat door:

‘kennis te nemen van de geschiedenis van een plek, de geografie, de verhalen, hoe het is om er vandaan te komen, de psychologie van een plek, de bekken die er getrokken worden, de dieren van de verbeelding die er domicilie houden, hoe er gedanst wordt en gedroomd en begraven. Maar vooral ook door het aftasten van haar vormen, haar trekken, liefst dagelijks: de geaccidenteerdheid van het terrein, de scherpte van het licht, het kleurenpalet van de hemel erboven, het gefluister van huizen en het gemurmel van de mensen, het gerommel onder de grond, het ritme van het komen en gaan van de dingen [… (pfff) …] Een ‘sense of place’ behelst, kortom, het bij elkaar houden van alle draadjes die samen het even dunne als stugge weefsel vormen van de werkelijkheid ter plaatse.’

Dat vergt nogal wat, gezien deze uitputtende (ingekorte!) hoeveelheid aandachtspunten: tijd en aandacht die we bijna niet meer hebben omdat we volgens de schrijver met ons hoofd zelden nog op één plaats tegelijk zijn, in virtuele werelden rondwaren en de publieke ruimte hebben verkwanseld aan ‘de sterkste en de lawaaierigste’.

Maar is Bentz van den Bergh’s pleidooi voor een ‘sense of place’ eigenlijk niet meer dan een utopie, een uitdrukking van zijn eigen verborgen verlangen naar een thuis? Immers, ook Amerika kent zijn ‘urban sprawl’ en zijn ‘displacement’, het heeft alleen meer ruimte om bepaalde plekken en gemeenschappen intact te houden, waardoor de diepere lagen van de plek daar wellicht langduriger zijn af te lezen. En hoe dan ook, is de wereld niet constant in beweging, is verandering niet de enige constante?  Bentz van den Bergh generaliseert: volgens mij hebben we in Nederland net zo’n ‘sense of place’ als de gemiddelde Amerikaan. We kunnen het alleen niet altijd zo goed kwijt in onze omgeving. Juist in de Randstad, en in alle dynamische stedelijke agglomeraties, komt dit naar voren: daar is de ‘displacement’ namelijk het grootst. In de woorden van Theo Beckers in z’n bijdrage aan de Ruimtelijke Agenda: ‘In tijden van grote dynamiek willen mensen zich herkennen in ruimtelijke identiteit. Een eigen vertrouwde plek is de onvermijdelijke tegenhanger van de mondialisering. Daarom is ruimtelijke ordening ook vooral een sociaal-culturele opgave’.

Sociaal-cultureel? Dat zijn wij dus. We zouden de bestuurders, planologen en ontwerpers van dit land dus kunnen vragen te plannen en ontwerpen vanuit een ‘sense of place’, en zo een land te creëren waar mensen kunnen aarden en wortel kunnen schieten. Ik weet vanuit mijn professie hoe moeilijk dat is: het komt niet vaak voor dat nieuwbouw of parkaanleg of herinrichting van het landschap een plek oplevert waar mensen echt trots op zijn en zich mee identificeren, zelfs niet na decennia. De architect doet zijn kunstje, de bestuurder mag op de foto en we zijn klaar voor gebruik. Maar zijn we zelf ook klaar om de plek te bewonen, als een actief werkwoord in de volste zin ervan?

Ook mijn omgeving is nou niet echt joepie: er is veel waar mijn hart niet voor klopt. Ik woon er wel, maar bewoon het niet. Toch houd ik van bepaalde plekken in de buurt. Van de klimop tegen de muur, de geur van pioenrozen. Van de iepenlaan richting de snelweg. Van de houtwallen langs de A12. Van de toren van de St. Victorkerk met zijn knots van een kastanje. Van de holle boom in het Weegje en het pad vanaf de oude verffabriek aan de Gouwe naar het bruggetje. Het wordt tijd dat ik me dat beter realiseer.

Het begint in je eigen tuin, in je eigen straat, in je eigen regio. Steek je vingers in de prut, plant en cultiveer, voer de vogels en kijk goed om je heen: er is zoveel moois, als je er oog voor hebt. En blijf stug dromen van die speciale plek. Je hoeft er namelijk geen berg voor te beklimmen. Je kunt gewoon net als Petrarca doen alsof en daar dan weer een mystiek blogje over schrijven om te appelleren aan de ‘sense of displacement’ van een ander! 😉

1) Er zijn een aantal redenen om aan te nemen dat het om een allegorische, en niet om een werkelijke beklimming gaat. Petrarca beschrijft onder andere het uitzicht op de Alphen, de Rhône, de Middellandse Zee, terwijl die vanaf de Mont Ventoux veel te ver liggen om waar te nemen. Bovendien vindt volgens hem de beklimming plaats op Goede Vrijdag – niet echt een moment om een berg op te wandelen. Ook loopt zijn broer (die later priester wordt en dus veel rechtschapener is) in een rechte lijn naar boven, terwijl Francesco zelf alleen een lastig, zig-zaggend pad kan volgen. Verder is het wel erg opvallend dat Petrarca zijn beklimming publiceert op een moment van spirituele crisis, jaren later en in briefvorm aan een leermeester, die in 1336 overigens al overleden was. Tot slot kiest hij als moment zijn 32e levensjaar, traditioneel het levensjaar voor een persoonlijke en beslissende spirituele bekering, naar analogie van het leven van Christus.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: