REQUIEM VOOR EEN HOMMEL

.

Het is een late zaterdagmiddag, dierendag. Buiten begint het te waaien, binnen is het warm. De plicht is gedaan, mijn lief blogt wat en ik berg de week langzaam weg in een boek. Ik lees over een dame en een eenhoorn op een wandtapijt in Parijs – een korte ontsnapping aan de realiteit. Daarover zou ik me schuldig kunnen voelen, maar ik lach de zinzoekers zachtjes uit. Ik heb nut en doel aan de kapstok gehangen, waar ik ze aan hun lot over laat tot maandag.

Ik staar wat naar het plafond – een favoriete bezigheid. Niets maakt de geest zo leeg als een gespachtelputzt plafonnetje: je blik snijdt erdoor als een warm mes door boter, opwaarts naar de Grote Leegte. Vandaag arriveer ik daar echter niet. Mijn blik valt op een van de glazen windlichtjes die voor ons raam hangen. Ik zie een zwarte vlek door het glas. Nee, de anderen hebben die vlek niet. Staand op de bank inspecteer ik het geval. Ik til het waxinelichtje op en in de ruimte eronder ligt – enigszins verdroogd en stoffig – een dode hommel.

Het lijkje ontroert me. Welk een doodstrijd moet het gehad hebben, hier in dit glazen spiegelhuisje? De vrijheid was te zien, maar moeilijk te bereiken, en waar de doorsnee vlieg nog een hele woonkamer heeft om rond te zoemen alvorens te pletter te slaan tegen de ruit, had deze hommel maar de ruimte van een glazen tennisbal. Hard glas rondom en de zon vol op zijn bolletje, of een heet kaarsje boven z’n kop. En geen heilige Franciscus: die was waarschijnlijk druk bezig met het staren naar een plafond ofzo.

Voorzichtig haal ik het beestje uit het glaasje. Het is een Bombus terrestris, oftewel een aardhommel. Wonderlijk, dat kleurige jasje, het lijkt een soort harig voetbaltenue. En kijk, het heeft zijn mooie zwart glimmende pootjes helemaal ingetrokken, alsof een onzichtbare aflegger het klaar heeft gemaakt voor de uitvaartplechtigheid. Die plechtigheid heeft echter op zich doen wachten, maar dat deert het beestje duidelijk niet.

Daar ligt het dan, vredig op z’n vleugeltjes – het doet me bijna denken aan zo’n middeleeuws praalgraf, met zo’n gestalte uitgehouwen in vaal zandsteen op de deksteen. Die gestalte is meestal zo klein dat ik altijd het idee krijg dat er een kind ligt, in plaats van een woeste krijger of wereldwijze jonkvrouw. En een kind, zeker een die net als de hommel de handjes vroom heeft gevouwen – dat wekt een verantwoordelijkheid en een neiging tot bescherming in me. Is dat dan wat de hommel van me vraagt, ontferming?

Ik krijg opeens het gevoel dat het op mij heeft liggen wachten. Ach, het is tenslotte dierendag en mijn huis heeft het beestje de das om gedaan. Ik draag de hommel daarom plechtig de achtertuin in en begraaf het tussen de kiezels onder de rozemarijn. En zo heb ik vandaag een goede daad gedaan voor een dier – of telt dat niet?

© Buitendijks 2008

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: