Antropoceen ontwerpen?

Lezingenserie Wakker worden in het Antropoceen-01

We leven in het Antropoceen, oftewel het tijdperk van de mens, en dat betekent een crisis voor het leven op aarde. Wat kunnen we doen om de schade te beperken, hoe moeten we veranderen? Volgens stichting Landtong Nieuwe Meer begint dat bij bewustwording. Met de vierdelige lezingenserie ‘Wakker worden in het Antropoceen’ probeerden zij hun plannen voor een bewustwordingsbos in de Nieuwe Meer te voeden met ideeën, maar liepen zij al snel vast in hun Antropocene ontwerpparadigma.

De lezingenserie in pakhuis De Zwijger verkende wat het Antropoceen inhoudt en constateerde dat we niet alleen “de invloed van de mens op de aarde langzamerhand als een geologische kracht moeten beschouwen”, maar ook dat die kracht onze ondergang kan betekenen. Naast die constatering ging het over wat we kunnen we doen en wat de rol van de verbeelding daarin is. De avonden zijn terug te kijken op de website van pakhuis de Zwijger.

Vraagtekens

De serie sloeg er niet helemaal in fundamentele klimaatvragen te verenigen met de praktische kwestie van het plannen van een stedelijk groengebied. Het wekte wel interessante vragen op. De belangrijkste daarvan is, wat mij betreft, of het groenproject in plaats van bewustwording niet eerder een illustratie is van de manier van denken en doen die onze klimaatproblemen veroorzaakt: het eenzijdig manipuleren van de omgeving voor onze eigen behoeften en ideeën.

Albert Faber, Derk Loorbach en Joachim Declerck spraken bijvoorbeeld in de derde bijeenkomst over wat we concreet kunnen doen. Waar overheidsstrateeg Faber nog een beroep doet op cultuurverandering (via ethiek, verbeelding en instituties), leek veranderkundige Loorbach nogal gelaten: vaak vindt hij alle ophef over klimaatverandering nogal “kouwe drukte” en “veel praten in plaats van doen”. Echte leiders gaan volgens hem gewoon aan de slag, via trial and error. Dit sloot aan bij de experimenteerdrift van Declerck, die een pionier is in ‘inclusieve planprocessen’ op lokaal niveau. Hij is gepokt en gemazeld in het ontwerpen via participatietrajecten en ervan overtuigd dat ruimtelijke planvorming dé centrale discipline is waarin alle benodigde transities samenkomen.

De combinatie van Loorbach’s optimisme over leiderschap en experiment met het ontwerpgerichte¹, lokale knutselen dat ontwerper Declerck voorstaat, brengt ons recht naar de kern. Gaan we verstandig anticiperen op echte, fundamentele veranderingen of gaan we samen fabrieken aan plannetjes, onder leiding van een ontwerpende ‘vroedvrouw voor inclusieve werkprocessen’ (Declerck), om een stedelijk groengebied te realiseren, waarvan het maar afwachten is wat dit doet voor bewustwording en verandering? Met andere woorden, stond men ook hier niet vooral kouwe drukte te maken over ruimtelijke transformatie en het ontwerpvak? Zitten we wel op het juiste schaalniveau?

Waarden

Om vat te krijgen op de term Antropoceen en de verschillende posities in het klimaatdebat introduceerden de organisatoren al snel een denkschema, gebaseerd op de ideeën van Clive Hamilton (zie figuur onder). Hierbij is de rode draad aan de linkerzijde van het schema vooral gebaseerd op ontkenning (van het probleem zelf c.q. van de menselijke beperkingen), de rechterzijde op ‘we doen wat we kunnen’. Het onderscheid is er vooral één van waarden, over hoe we ons als mens positioneren in de aanpak van het probleem. Het gevaar is echter dat we daarin wat is verwarren met wat zou moeten zijn. Zo kun  je uitstekend pragmatisch aan de slag gaan (kwadrant 4) vanuit de gedachte dat alle leven intrinsiek de moeite waard is (kwadrant 3). Ook zijn er sommige modernistische oplossingen (kwadrant 2) die best zouden kunnen bijdragen zonder al te veel te schaden.

Hamilton schema klimaatdiscussie

Interessanter was daarom wat mij betreft de fundamentele vraag die werd gesteld in het verhaal van kunstenaar Esther Kokmeijer in bijeenkomst vier. Die vraag is: vraagt het Antropoceen om maakbaarheid of om terughoudendheid? Met andere woorden: gaat het er in deze tijd om elke mogelijke verandering actief vorm te geven of gaat het er nu juist om een stap terug te doen, te kijken naar de wereld en te aarden in wat er is en wat er om ons heen gebeurt? En mogelijk dan pas te handelen? Ik noem dit de ‘drempelvraag’: een vraag die we op zijn minst in elke situatie moeten stellen, zeker als het gaat om het ontwerpen van onze omgeving.

Doeners

De drempelvraag draait om een gezond en ruimhartig aarzelen als het gaat om ingrijpen in onze omgeving. Ontwerpers zijn echter vooral doeners, met een diepgewortelde ambitie vorm te geven en te realiseren. Dit hebben ze gemeen met bestuurders en projectontwikkelaars, en of dat nu gebeurt uit dienstbaarheid aan de samenleving, om iets achter te laten in de wereld, geld te verdienen of vanuit het plezier van het vormgeven doet er in die zin niet zo heel veel toe: ze geven vorm aan een plek.

Ruimtelijk ontwerpen is dus een bij uitstek positivistisch vak: gericht op actie, vernieuwing, verandering. Er is altijd sprake van een actieve ingreep in het bestaande. Zelfs als een ontwerper daarbij gebruik maakt van organische ontwikkeling, vrij experiment of meewerkt met natuurlijke processen, dan zijn de grenzen en de kaders daarvan vooraf bepaald en wordt de ruimte gaandeweg gemonitord en bijgestuurd. Kortom, de grondwaarde van het ontwerpvak is die van planning en beheersing. Niets doen is daarbij nauwelijks een optie, en een stap terug al helemaal niet.

Hoe intrinsiek antropoceen het ontwerpvak daarmee eigenlijk is, wordt ook duidelijk vanuit een taalkundige blik. Het woord ‘ontwerpen’ is een afgeleide vertaling van het Latijnse woord ‘projectus’, wat ‘vooraf berekenen of voorwaarts gooien’ betekent (‘pro’ = voorwaarts, ‘jacere’ = gooien). Het Antropocene bos ontstaat nu juist in een stad die zich in die zin ‘voorwaarts wil werpen’ op het mondiale toneel, en de concurrentiestrijd aangaat met de rest van de wereld. En dat is een beweging die ook in de IJ-zaal van de Zwijger appeal had, getuige bijvoorbeeld de klakkeloze manier waarop de vergroening van Singapore werd aangehaald als wenkend perspectief².

Ontwerpen als oer-Nederlandse praktijk

Collage totaal

Ook al is het bedoeld als kleine denkexercitie, de ontwerpprofessie ter discussie stellen is schoppen tegen een heilig Hollands huisje. Wij zijn het enige volk dat haar eigen land schiep, zoals het gezegde gaat, dus het vormgeven van onze omgeving zit diep verankerd in ons DNA. Het is dit heilige huisje waar ik een klein beetje tegenaan wil duwen, en daar misbruik ik hier de ontwerper voor. Ik had ook voor de bestuurder, de projectontwikkelaar, de ingenieur of de financier kunnen kiezen. Maar met ontwerpers, de schakelfiguren tussen het wegen en formuleren van de opdracht (welke behoeftes en belangen willen we terugzien op de betreffende locatie) en het daadwerkelijk inrichten van die locatie, lukt het duwen prima.

Traditioneel staat de ontwerpprofessie dichtbij de macht. Bestuurders, grondeigenaren en financiers zijn de broodheren, bij wie de opdrachten ‘binnen te halen’ zijn. Dit zorgt voor een afhankelijkheidsrelatie die razend interessant is, als antropologische case study, maar die ik bij gebrek aan ruimte hier alleen kan weergeven zoals ik hem ken, vanuit mijn verschillende rollen en gedaantes in mijn loopbaan in de sector. Het vak bevat in mijn beleving vooral zelfbewuste, creatieve machers, die een inhoudelijke gedrevenheid combineren met een praktische, doelgerichte marketing. Om te slagen in het ontwerpvak moet je ten minste beschikken over zowel de voor de hand liggende inhoudelijke creativiteit als een zelfverzekerdheid en vindingrijkheid in overtuigingsstrategieën.

De bandbreedtes en synergiën tussen de pool van het overtuigen van beslissers en de pool van pure ambachtelijke ontwerpintegriteit (plat gezegd: tussen bullshit en belief) hebben mij altijd gefascineerd. In dit spanningsveld vinden capaciteiten op het gebied van bijvoorbeeld persoonlijke profilering, ondernemerschap, procesbegeleiding en burgerparticipatie een plek. Ook de continuïteit van het eigen ontwerpbedrijf is altijd een factor, in brede zin ook wanneer de betreffende ontwerper een vaste betrekking heeft in overheidsdienst. De hedendaagse ontwerper is een ondernemer pur sang, op zoek naar zichtbaarheid en zakelijk en creatief succes. Niets doen is daarbij geen optie, en een stap terug al helemaal niet.

Dat ondernemerschap krijgt de laatste jaren ruim baan. Door de terugtredende overheid is het zorgdragen voor ruimtelijke kwaliteit, in weerwil van alle participatiehypes en inspraakmodes, steeds meer losgezongen geraakt van democratische controle en tegenkracht. Het vindt zijn ultieme uiting in de invoering van de Omgevingswet, dat als één van haar hoofddoelen heeft ‘de kracht van de markt te benutten’.  Hoe Nederland eruit ziet raakt hierdoor steeds meer gedepolitiseerd en geliberaliseerd, en gaat dus geruisloos mee in de dominantie van het marktdenken. En de ontwerper opereert in het hart van die markt.

Een kras in de plaat

170224degrowthMaar waar brengt dat ons, in het Antropoceen? De crux is dat de Antropocene situatie rigoureus op die marktgerichte grondhouding inbreekt. Het Antropoceen vraagt juist om het in twijfel trekken van groei en ambities, om terughoudendheid, om loslaten.

En dat dat schuurt is duidelijk, zoals ook blijkt uit het plan voor een Antropoceen bos in de Nieuwe Meer zelf. Het loopt namelijk aan tegen de (schijnbaar stug neoliberale) ambities van de gemeente Amsterdam, dat naast de vorming van de Metropoolregio en grootschalige stadsuitbreidingen naar het westen ook het verlengen van de Zuid-As op de rol heeft staan. Die Zuid-As heeft voorrang en drukt de voorgestelde groenontwikkeling in de Nieuwe Meer letterlijk uit de markt.

Er is dus sprake van een krachtige en, als ik het zo mag uitdrukken, ‘hyper-antropocene’ ontwikkeling van de stad, die haaks staat op het voorgestelde aardser worden van de Amsterdammer en/of zelfs maar een bewustwordingsproject over wat er op ons af komt. En ook die ontwikkeling heeft alles te maken met het ontwerpersvak: ook de Zuid-As is immers een dankbare en lucratieve ontwerpersklus. Ook van de zwaarlijvige voetafdruk van de stad zijn het de ontwerpers die het profiel tekenen.

Ont-werpen

Het brengt me terug naar de etymologie van het woord ontwerpen. Het voorvoegsel ‘ont’ heeft twee hoofdbetekenissen in de Nederlandse taal: ten eerste als aanduiding van het begin van een handeling (‘ontbranden’, ‘ontluiken’ of ‘ontstaan’) en ten tweede als ontkenning, verwijdering of tegenstelling (‘ontkennen’, ‘ontnemen’, ‘ontsnappen’). In de standaardbetekenis van ‘ontwerpen’ wordt duidelijk de eerste betekenis gebruikt.

Maar wat nu als we, om tegemoet te komen aan de vraag naar terughoudendheid en loslaten, de betekenis van ontwerpen uitbreiden met de ontkennende vorm? Wat zou er gebeuren als we in plaats van ontwerpen gaan ‘ont-werpen’ en de ambities van een grootstad onder curatele brengen?³ Wanneer we als stad niet de concurrentie aangaan, en de energie die nu gestoken worden in stadsuitbreidingen en megaprojecten in plaats daarvan steken in de bestaande, lieve, levende stad? Kan een dergelijke stilstand ook vooruitgang zijn?

Voetnoten:

¹ Misschien kunnen we het designocentrisme noemen?

² Het getoonde project ‘Gardens by the Bay’ is ten koste gegaan van een grote oppervlakte mangrovebos in Cambodja, met een negatieve impact op de inheemse bevolking, biodiversiteit en kustmilieus, zie onder andere hier. Ook groene ambities komen doorgaans met een prijs en zijn soms niet meer dan een schaamlap voor ecologische en economische roofbouw.

³ Op dezelfde manier zouden we dan moeten ‘ont-sturen’ i.p.v. besturen en divesteren i.p.v. investeren.

Bronnen:

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: