SPRUITJES EN KOUWE KAK

Fictie als individuele levensbehoefte, ‘hoge kunst’ als een licht dat binnendringt in de grauwe kamer van een migrantenzoon, het opgaan van ‘lage kunst’ in de voorkeuren van de elite – in het cultureel supplement van het NRC van afgelopen weekend woedt de discussie over ‘hoge en lage kunst’ onverminderd voort. In “Soms heb ik geen zin in kunst”, bijvoorbeeld, vertrekt Bianca Stigter vanuit Dutton’s opvatting over kunst in The Art Instinct, en formuleert hiermee en passant een werkbaar uitgangspunt voor het onderscheid tussen kunst en kitsch:

“volgens Dutton proberen we via kunst in een ander mens door te dringen. Volgens mij kan kitsch dat ook, al is het dan geen ander, maar jezelf die je binnengaat; geliefde kitsch is vaak nostalgie, een sleutel om jezelf te openen: vervoer mij naar mijn jeugd. Het patina van oude televisieseries.”

Teleurstellend is echter dat Stigter vervolgens vooral vanuit persoonlijke behoeften redeneert: ze is vooral een consument, bezig met haar eigen ‘fictiebehoefte’, met kunst die moeite moet doen om haar te verrassen en met de constatering dat ze soms ‘helemaal geen zin in kunst’ heeft. Alle extra’s die ze moet doen om van sommige hogere kunst te genieten (opkleden, betalen, reizen) doen voor haar afbreuk aan de verrassing en het gewenste genot. Haar conclusie is dat ze houdt van kitsch, van haar toegankelijkheid, omdat kitsch daarmee de belofte van individueel geluk inlost.

De kitsch lijkt haar echter ook op te sluiten in dat ‘persoonlijke geluk’: het gaat om Bianca en om niemand anders. Over hogere kunst zelf, of over de ander en de wereld, valt in elk geval geen woord meer. De kern voor haar is het ‘patina van de jeugd, van oude televisieseries’. En daar is niet mis mee, maar het is slechts één kant van de zaak.

De andere kant

Abdelkader Benali heeft het in “Het had ook Rambo kunnen zijn” wel over de andere kant: die van Bildung, door een icoon van de zogezegd ‘hoge kunst’. Als halfwassen puber die naar eigen zeggen niet verder kwam dan Jean-Claude van Damme, het Eurovisiesongfestival en Cheb Khaled (ook leuk!) ziet hij op een zekere dag Shakespeare’s De Getemde Feeks:

“Als ik op die avond dat toneelstuk niet gezien had, dan had ik vast en zeker een intellectuele achterstand opgelopen. Volgens sommige mensen bestaat er niet zoiets als intellectuele achterstand, maar dat zijn ook vaak de mensen die zeggen dat Johan Cruijff een groot filosoof is. In één klap kreeg ik een uitdaging aangeboden, een wereldbeeld, een afleiding en een scholing in taalacrobatiek ineen.”

Het verschil tussen het gulzige relaas van Stigter en het liefdevolle van Benali is dat Stigter’s kitsch vooral zelfbevestigend en geruststellend lijkt, terwijl Shakespeare een wereld voor Benali opent, of in de woorden van Dutton, hem doet “binnendringen in de ander”.

De aanduidingen ‘hoge’ en ‘lage kunst’ zijn juist daarom geen holle begrippen. Het is immers belangrijker voor de mens om een open verbinding te leggen met de ander en de wereld dan doorlopend bevestigd te worden in je eigen behoeften en opvattingen. En hoewel de grens tussen hoog en laag, of tussen openheid en zelfbevestiging, niet met een schaartje te knippen is, is Shakespeare in die zin van een hogere orde dan Frans Bauer. ‘Hoge kunst’ kan een mens helpen mee te veranderen in een hoe dan ook veranderende wereld en uit zijn cocon van geruststellende zelfbevestiging en vaste patronen te breken.

Kunst en klassenonderscheid

Het derde stuk, “Volkszanger moet geduld hebben” van Wilfred Takken, is een speels advies aan dezelfde Frans Bauer, wat hij zou moeten doen om door te dringen tot de ‘salonfähige’ kunst van de elite. Takken benadert de kunst daarmee vanuit een kunstsociologische hoek, vanuit het aanzien en de status van verschillende kunstvormen bij ‘de elite’ en ‘de massa’ – het andere uiterste van Stigter’s omnivore individuele behoeften of Benali’s persoonlijke openbaringen. Takken beziet kunst grotendeels als voertuig voor en uiting van klassenonderscheid en sociale (voor-)oordelen; volgens hem staat de grens tussen hoge en lage kunst ‘fier overeind’. Achter deze koele observatie is een cynisme voelbaar: het is nu eenmaal zoals het is, ondanks alle pogingen tot verandering van proletarische artiesten of een eeuwig tussen kwaliteit en commercie twijfelende krant. Leer er maar mee leven – en zet ‘m op, Frans!

Naar ervaring prikkelt een dergelijk ‘snobisme’ in onze samenleving vaak een cynische wrok over ‘dat slag mensen die zich schijnbaar beter voelt dan de man in de straat’. Kunst wordt blijkbaar ook gevoeld als een instrument van sociale onrechtvaardigheid, een symbool voor een rem op de vrijheden en maatschappelijke kansen van die gewone Nederlander. Diep in onze vaderlandse ziel huist blijkbaar een rigoureus egalitaire neiging van waaruit men naar hartenlust ideeën op anderen projecteert met maar één doel: het maaiveld. Maar net als de positie van Takken gaat dat voorbij aan de kracht van ‘hoge kunst’ voor het individu.

Brahms boven Bauer

Er is niets tegen het uitleven van een persoonlijke behoefte en voorkeur voor kitsch of wat voor spek er maar voor de bek komt. Maar er kan ook niets zijn tegen het openstaan voor de wereld en de ander door middel van zogezegd ‘hoge kunst’, of het liefhebben en prefereren van Brahms boven Bauer. Of tegen het proberen te doorgronden en verwoorden waarin de waarde van Brahms voor jou gelegen is en waarom Bauer dat niet voor je doet.

Het sluit namelijk niet uit dat je in de kroeg net zo hard meebrult met “Heb je even voor mij”. Het sluit niet uit dat je soms met smaak een bord spruitjes verorbert. Het sluit niet uit dat je, na thuiskomst van je doorsneebaantje, met je voeten op tafel zapt naar CSI of Gooische Vrouwen. Het punt is dat die Bauerhit, die spruitjes, die afleveringen inwisselbaar zijn en daarmee meer bevestigen dan openen, meer in slaap sussen dan werkelijk raken.

Modderige aannames

Wat betekent het dan als je verder wilt kijken dan dat – als je open in de wereld wilt staan en wilt vertellen over de bescheiden stapjes door een grotere wereld? Het betekent dat je je soms teweer moet stellen tegen mensen die het verschil niet zien tussen de kwaliteit van je tekst (sic!) en de kwaliteit van het onderwerp van die tekst. En die je vanuit die projectie bepaalde ambities toedichten, vinden dat je hoog te paard zit en dat je meer in de modder rond moet wroeten. De modder waarin zij zelf overigens liggen te stralen als een parel in de ochtendzon, omdat zij dat nu eenmaal het hardst roepen.

Sommige mensen leven nu eenmaal het leven als een spel voor zelfbenoemde ‘realisten’, ‘een cynische, machiavellistische onderneming’, waarin je, als je een vent bent, zorgt dat je een beetje gelijker bent dan anderen. Voor Benali was het Shakespeare die dergelijke aannames beslissend doorbrak. Shakespeare verving voor hem cynisch realisme door openheid en uitdaging. Dat zou, om de discussie verder te brengen, kunnen pleiten voor meer Shakespeare.

Maar dat is waarschijnlijk te moeilijk. Immers, eenmaal afgekoeld heb je niet altijd meer door dat die bolus die je anderen voor de voeten legt je eigen creatie is. En zie er dan nog maar eens over heen te stappen.

bronnen:
Bianca Stigter, ‘Soms heb ik geen zin in kunst’
Abdelkader Benali, ‘Het had ook Rambo kunnen zijn’
Wilfred Takken, ‘Volkszanger moet geduld hebben’
(NRC Handelsblad, zaterdag 16 / zondag 17 mei 2009)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: