KRASSEN

Een grote folio-envelop valt op de mat. Ik scheur hem open, haal mijn hoofdstukken te voorschijn, op zoek naar de commentaren van mijn scriptiebegeleider. Het valt gelukkig mee: nog wat redactie, wat meer aanscherping, prima. Ik leg het papier naast me neer, kijk mevrouw Buitendijks aan en lach. Het begint te dagen: de eindstreep is dichtbij.

Nu heb ik al een tijdje visioenen waarin ik zeeën van tijd heb, de natuur in kan gaan, ontspannen met mijn geliefden kan leven, banden kan aanhalen, een beetje kan bloggen, klussen of musiceren. Aan de andere kant zijn de dingen waar ik binnen mijn studie mee bezig ben geweest me dierbaar: de theoretische en filosofische benaderingen van literatuur, de toneelstukken uit de tijd van Shakespeare, de recente Britse literatuur, de modernisten en ecopoetics. Dat klinkt misschien elitair, maar dat is het niet. Ik heb iets gevonden waar ik in op kan gaan, zoals een ander opgaat in modeltreinen, sterrenkunde, atletiek of een idool.

Vooral in mijn scriptie kon ik me uitleven. De basis voor dit eindwerk is een boek van Jonathan Bate over de relatie tussen poëzie en natuur & milieu. Op basis van Heidegger’s Dasein formuleert Bate in The Song of the Earth een nogal vaag concept van ‘ecopoëzie’, dat als kenmerk heeft dat het een stem geeft aan de aarde. In andere woorden, dergelijke poëzie geeft uiting aan de wereld om ons heen en een beeld van wat het betekent om ‘harmonieus de aarde te bewonen’. Bate vindt voorbeelden van ‘ecopoëzie’ vanaf de Romantiek tot en met de tegenwoordige tijd. Verder beweert hij dat dergelijke beelden ons doen geven om het kleine en om de waardevolle eigenheid van de individuele plek in het landschap. Volgens Bate kan en moet deze ‘ecopoëzie’ zo ons milieubewustzijn vergroten.

Bate’s nogal vage en idealistische theorie heb ik in mijn scriptie tegen het licht gehouden aan de hand van werken van drie Engelstalige dichters, alle drie geworteld in het landschap van hun jeugd. Mijn hoofdargumenten zijn relativerend: ten eerste is de kracht van poëzie niet groot, maar juist gelegen in het kleine – het zal nooit grote groepen bereiken, maar beïnvloedt ten hoogste het individu. Scepsis en voorbehoud lijken dus geboden. Ten tweede zegt poëzie minstens zoveel over onszelf als over de wereld om ons heen, en ook dat poëtische zelfbeeld heeft een zeggingskracht en een rol in een groen discours.

Naast de duidelijke rol voor natuur en landschap in hun werk confronteren de drie dichters de lezer vooral ook met de machinaties van de eigen geest. Ze wisselen prachtige evocatieve impressies af met een sceptische blik op hoe wij onszelf het landschap en de natuur mentaal toe-eigenen. Ze zijn allen ‘open naar de wereld en kritisch naar zichzelf’. Geoffrey Hill doet dat tegen de achtergrond van de West-Midlands van zijn jeugd, en toont hoe we de geschiedenis van de streek en van Engeland tot op de draad romantiseren en daardoor dreigen de werkelijkheid te overstemmen. Ted Hughes laat de donkere kanten van de Southern Pennines en de mens zelf zien, als noodzakelijk tegengif tegen de escapistische, sentimentelere blikken op het landschap van bijvoorbeeld Wordsworth. Tenslotte toont Seamus Heaney dat een poëtische benadering van zijn Noord-Ierse landschap pas echt waarde krijgt als je als individu aandachtig observeert en associeert, en sceptisch en terughoudend bent in zowel de gedachte als de taal.

Ik ben tevreden met mijn argument – tussen de vage droom van Bate en het droge materialisme van anderen in. Maar waar ik nog meer tevreden over ben is de poëzie die ik gelezen heb en de taal en verbeelding die het bevat. Sommige stukken lijken geëtst in mijn gedachten, maar om niet te vergeten kras ik er één – over een herinnering aan de schittering van het licht op het land en de zee – in de bast van mijn blog:

Hazel stealth. A trickle in the culvert.
Athletic sealight on the doorstep slab,
On the sea itself, on silent roofs and gables.

Whitewashed suntraps. Hedges hot as chimneys.
Chairs on all fours. A plate-rack braced and laden.
The fossil poetry of hob and slate.

Desire within its moat, dozing at ease –
Like a gorged cormorant on the rock at noon,
Exiled and in tune with the big glitter.

Re-enter this as the adult of solitude,
The silence-forder and the definite
Presence you sensed withdrawing first time round.

dichtregels: Seamus Heaney’s ‘Squaring xii’, uit ‘Seeing Things’, London, Faber&Faber, 1991, p.69

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: